Copyright © 2017 Liber Vitae.
Het materiaal op deze website is zuiver informatief. Doe niet aan zelf-medicatie en raadpleeg altijd een arts of apotheker als je klachten hebt.

Inhoudsstoffen

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mail

Strikt wetenschappelijk gezien werken kruiden door hun inhoudsstoffen. Planten heben dergelijke stoffen of chemicalien ontwikkeld om vraat door dieren tegen te gaan of juist om dieren te lokken en zich met behulp van deze dieren voort te planten. Planten hebben deze chemicalien nodig om de simpele reden, dat ze niet kunnen vluchten, dus moesten er andere overlevingsmechanismen ontwikkeld worden, wilden planten overleven.

Er zijn diverse soorten inhoudsstoffen benoemd:  bitterstoffen, looistoffen,  etherische oliën, antrachinonen, glycosiden, phenolglycosiden, blauzuurglycosiden, hartglycosiden, salicylglycosiden, mosterdolieglycosiden, alkaloïden, saponinen, slijmstoffen, harsachtige bestanddelen, flavonoïden, mineralen, vitaminen,...

Alle inhoudsstoffen worden nu even toegelicht. Er is verder nog een apart documentje rond de oplosbaarheid van deze inhoudsstoffen. Dat documentje kan je hier downloaden.

 

Bitterstoffen

In de oude volksgeneeskunde heeft men vaak de geneeskrachtige werking van planten toegeschreven aan de bittere smaakstoffen. Volgens wetenschappelijk onderzoek bevorderen bitterstoffen de speeksel – en maagsapafscheiding.  Deze kruiden worden dan ook gebruikt om de maag te stimuleren, de eetlust op te wekken, de darmwerking te ondersteunen, de productie van galsappen te stimuleren, een betere resorptie van voedingsmiddelen en kruiden te bevorderen.

Klinisch onderzoek heeft aangetoond dat kruiden met bitterstoffen ook het aantal rode en witte bloedlichamen doet toenemen. De bitterstoffen worden door de smaakpapillen waargenomen en werken reflecterend op het maag-darmstelsel. Een kruidenthee met bitterstoffen wordt het best gedronken één uur voor de maaltijd, ongezoet, waarbij een slok even in de mond wordt gehouden vooraleer door te slikken.

We onderscheiden 5 groepen bitterstoffen:

  • Amara pura: Kruiden waarvan de bitterstof als enkelvoudig bestanddeel voorkomt, dus niet in combinatie met andere stoffen.
    Bvb: cichorei, duizendblad, paardebloem, duizendguldenkruid, gezegende distel...
  • Amara aromatica: Deze kruiden bevatten eveneens etherische (vluchtige) oliën die de werking ondersteunen, waardoor deze kruiden meestal krachtiger zijn.
    Bvb: kamille, alsem, kalmoes, hopbellen, citroen, engelwortel, bijvoet, oranjeschil...
  • Amara acria: Deze bitterstoffen vinden we veelal terug in specerijen en buitenlandse kruiden. Een overmatig of te lang gebruik kan de spijsvertering afremmen en maagklachten veroorzaken. 
    Bvb: gember, galanga, peper...
  • Samentrekkende bitterstoffen: Deze kruiden bevatten zowel bitterstoffen als looistoffen, ze worden vooral tegen diarree gebruikt.
    Bvb: condurango, alsem
  • Slijmachtige bitterstoffen:Sommige kruiden bevatten naast bitterstoffen ook slijmstoffen.
    Bvb: zuurbes, hondsdraf, ijslands mos...

 

Looistoffen

Looistoffen zijn in staat de eiwitstoffen van de huid en de slijmvliezen te verbinden waardoor wonden van de huid en de slijmvliezen met een dun laagje beschermd worden. Bacteriën worden zo verhinderd in hun werking. Ze hebben een samentrekkende werking. Deze kruiden versterken de wand van bloedvaten, vormen een beschermende laag, vernietigen microben en toxische stoffen (hebben dus een antiseptische werking), zijn pijnverzachtend en remmen een teveel aan sekreetproduktie.

Inwendig gebruikt tegen diarree, als bloedstelpend middel, een tegenmiddel bij alkaloïdvergiftigingen.

Uitwendig toegepast als gorgeldrank (voor keel en mondspoelingen), omslagen, aftreksels, bij winterhanden en –voeten, bij zweetvoeten.

Bvb: hamamelis, notelaar, eik, tormentil, wilde kastanje, duizendblad, agrimonie, heermoes, herderstasje, weegbree, braam, zilverschoon...

 

Etherische oliën / Vluchtige oliën

Etherische olien zijn die stoffen die verantwoordelijk zijn voor de geur van bloemen en planten. De functie van etherische olien in planten is heel divers, ze kunnen ervoor zorgen dat de plant wordt beschermd tegen ziekteverwekkers zoals parasieten, schimmels, bacterien en virsussen. Ze lokken insecten of ze stoten ze af...

Etherische oliën zijn vloeibaar of vast bij kamertemperatuur. Zij worden door distillatie met waterdamp of door persen uit planten of plantendelen of uit balsems verkregen.

Etherisch wil zeggen ijl, vluchtig, m.a.w. zij verdampen meteen, vandaar ook het sterke aroma. Vluchtige oliën zijn doorgaans weinig stabiel ; zij worden door licht, lucht en warmte ontbonden. Daarom worden zij bewaard in goed gesloten donkere flesjes op een koele plaats.

In de kruiden zitten etherische olién meestal in speciale oliecellen, klieren of kanaaltjes. Het
gehalte in de kruiden schommelt en is afhankelijk van het seizoen, standplaats, klimaat, enz.
enz. Zelfs na het drogen bevatten de meeste oliehoudende kruiden grote hoeveelheden etherische olie.

Etherische olien worden gebruikt in de aromatherapie, een specialisatie van de kruidengeneeskunde. Zuiver na distillatie komen ze voor in verschillende kleuren :

  • Kleurloos of zeer liohtgeel: munt, anijs lavendel
  • Licht tot donkergeel: citroen, sinaasappel, kaneel
  • Roodachtig bruin: tijm
  • Groen: alsem, bergamot
  • Blauw : kamille


Inwendig  worden ze alleen in verdunning gebruikt.

Uitwendig worden vluchtige olién gebruikt om hun plaatselijk prikkelende werking op de weefsels, met verhoogde bloedtoevoer tot gevolg (reflectorische werking ).

Om te inhaleren bij sinusitis, ademhalingsproblemén, longkwalen, verkoudheden, enz.. wordt vooral de etherische olie gebruikt van tijm, munt, eucalyptus, niaouli. Men gebruikt slechts enkele druppels in een kommetje kokend water of in het reservoir van het inhaleertoestel of de verstuiver. ln de sauna giet men enkele druppels op de hete stenen.

Verder worden etherische olién in talrijke preparaten, schoonheidsmiddelen, badwater, siroopjes verwerkt als smaak- of geurmiddel.

In de kruidengeneeskunde zijn we in de eerste plaats geinteresseerd in de toepassing van deze kruiden onder de vorm van kruidenthee.

 

Glycosiden

Dit is de algemene aanduiding voor suikers in kruiden. Glycosiden zijn een groep van chemische stoffen die van nature vrijwel alleen in planten voorkomen. Ze zijn opgebouwd uit een suiker (het glycon) en een niet-suiker (het aglycon) deel.

ln de vakliteratuur maakt men geen onderscheid tussen glucosiden, glycosiden en heterosiden.

Er zijn verschillende soorten glycosiden waaronder ook antrachinonen, phenol-, blauwzuur-, salicyl-, hart- en mosterdolieglycosiden, maar ook saponinen hebben een glucon.

 

Antrachinonen of Antraquinonglycosiden (emodineglycosiden)

Antrachinonen zijn stoffen die in een aantal kruiden met purgerende werking voorkomen.
Het gaat hier om oxidatieproducten van antraceen. Deze stoffen worden slechts langzaam vrijgegeven waardoor zij met vertraging inwerken op de dikke darm, waarvan zij de beweeglijkheid verhogen. Het zijn dikke darm relaxantia, welke via de dunne darm worden geresorbeerd en in de dikke darm worden uitgescheiden. Aldaar werken ze sterk laxerend door enerzijds verhindering van de waterresorptie en anderzijds reflectorische prikkeling van de dikke darm peristaltiek.
Antrachinonen verhogen ook de bloedtoevoer naar de darmen, waardoor deze sneller en krachtiger kunnen werken.

Het is duidelijk dat deze purgeermiddelen niet mogen gebruikt worden bij ontsteking in de buikorganen, bij aambeien, tijdens de menstruatie en bij zwangerschap
Bij normaal gebruik kunnen de meeste van deze kruiden geen kwaad en zijn te verkiezen boven de laxeermiddelen uit de farmaceutische industrie.

De meest gebruikte kruiden zijnvuilboom, wegedoorn, rabarher, aloe, senna, en aloësoorten enz... Sporen komen tevens voor in andere planten van de duizendknoopfamilie.

Lijnzaad heeft eveneens een darmreinigende werking maar gezien de bloedtoevoer nietnverhoogd wordt  kan lijnzaad wel gebruikt werden bij aambeien (zowel in- als uitwendig)

 

Phenolglycosiden

Phenolglycosiden komen voor in beredruif, vossebes, blauwe bosbes, dopheide en worden vooral gebruikt bij blaasontsteking. De glycosiden komen vrij in door ontsteking alkalisch geworden urine met een bacteriedodende werking tot gevolg.

 

Rubiaglycosiden

De oxygroepen bevinden zich uitsluitend aan één kern. Zoals de naam al aangeeft komen ze voor in meekrap (Rubia tinctorum), maar ook enkele andere planten uit de sterbladigenfamilie (Rubiaceae) bevatten deze stoffen, zij het in mindere mate. Voorbeelden zijn geel walstro (Galium verum), kleefkruid (Galium aparine) en lievevrouwebedstro (Galium odoratum).

Aucubineglycoside.

Dit glycoside komt voor in enkele planten uit de helmkruidfamilie (Scrophulariaceae) evenals in de weegbreefamilie (Plantaginaceae). De farmacologische werking vertoont in verschillende opzichten overeenkomsten met die van de saponinen.

Voorbeelden van planten met aucubineglycosiden: ogentroost (Euphrasia officinalis), mannetjesereprijs (Veronica officinalis), smalle weegbree (Plantago lanceolata).

 

Coumarineglycosiden.

In het algemeen bevatten coumarine bevattende planten een milde anticoagulerende werking. Ze worden bovendien gebruikt als geurstof. In hoge doseringen zijn coumarines als antagonist van vitamine K te beschouwen.

Planten met coumarineglycosiden zijn lievevrouwebedstro (Galium odoratum), citroengele honingklaver (Melilotus officinalis), paardenkastanje (Aesculus hippocastanum), echte kamille (Matricaria recutita), echte lavendel (Lavandula angustifolia), kleine bevernel (Pimpinella saxifraga) en wijnruit (Ruta graveolens)

 

Flavonoïdglycosiden.

Deze grote groep bevat vele glycosiden. Het zijn glycosiden die bij hydrolyse als aglycon een flavon geven. De therapeutische werking van de flavonglycosiden is:
1.Algemeen cardiotonisch
2.Vermindering van de permeabiliteit van de capillairen
3.Bevordering van de diurese
4.Vermindering van de galsecretie en mild laxerend
5.Bevordering van de kalkafzetting vanuit het bloed naar de weefsels
6.Algemeen roborerend en toniserend

Planten met flavonglycosiden als hoofdbestanddeel zijn meidoorn (Crataegus oxycantha), struikhei (Calluna vulgaris), es (Fraxinus excelsior), vlasbekje (Linaria vulgaris), kattendoorn (Ononis spinosa), sleedoorn (Prunus spinosa), Wijnruit (Ruta graveolens).

Anthocyaanglycosiden:

Deze kleurstofglycosiden zijn nauw verwant met de flavonglycosiden. Hun fysiologische werking is gelijk aan die van de flavonglycosiden, maar zwakker.

Planten met anthocyaanglycosiden zijn korenbloem (Centaurea cyanus), groot kaasjeskruid (Malva sylvestris), boerenpioen Paeonia officinalis), grote klaproos (Papaver rhoeas), gevlekt longkruid (Pulmonaria officinalis), hondsroos (Rosa canina), maarts viooltje (Viola odorata), Driekleurig viooltje (Viola tricolor).

 

Blauwzuurglycosiden

Door afsplitsing van suiker komt het zeer giftige blauwzuur (cyaanwaterstofzuur; HCN) vrij. Het is een der snelst werkende giffen bij mensen. Blauwzuur verhindert het zuurstoftransport niet, maar wel de afgifte van zuurstofmoleculen aan weefcellen. Het blauwzuur blokkeert dus de celademhaling (cytotoxische anoxie). Men neemt aan dat ongeveer 1 mg blauwzuur per kg lichaamsgewicht fataal is voor een mens. Wat blauwzuurverbindingen precies voor een plant doen weet men niet.

Blauwzuurglycosiden, zoals het giftige amygdaline in bittere amandelen. Deze glycosiden behoren tot de N-glycosiden. De stoffen komen veel voor amandelnoten en in de pitten in de pitten van- appels, kersen, perziken, pruimen, abrikozen, sleedoorn en verder in lijnzaad, in de bladeren van de vlier, in veel grassen (waaronder de meeste graansoorten) in de laurierkers,... Ook in cassave zitten veel van deze glycosiden die voor gebruik uitgewassen moeten worden.

Blauwzuur komt als dusdanig niet voor, het is altijd gebonden in een groter geheel. Blauwzuurglycosiden zijn wijd verspreid in het plantenrijk. Sommige komen uitsluitend voor in zaden (amygdaline), andere juist nooit (prunasine). 

Hartglycosiden (digitalisglycosiden).

Hartglycosiden hebben een erg verschillende scheikundige structuur, maar werken toch allen sterk in op de hartspier. Ze komen voor in verschillende plantenfamilies (bv. digitoxine) en kunnen alleen in homeopathische verdunning gebruikt worden.

Dit zijn glycosiden die invloed hebben op de beweging en het ritme van het hart. Ze komen voor in de bladeren van planten in het vingerhoedskruid-geslacht en verder in het Lelietje-van-dalen (Convallaria majalis), zeeajuin (Urginea maritima) evenals in knopig helmkruid (Scrophularia nodosa).

Steroïdglycosiden --> hier is het aglycon is een steroïd skelet. Belangrijke stoffen zijn digoxine en digitoxine die in de moderne geneeskunde nog steeds, hoewel steeds minder, worden gebruikt. Ze worden gevonden in het geslacht vingerhoedskruid (Digitalis) en in de sterhyacint- en strophantusfamilies.

 

Fenolheterosiden (fenolglycosiden) of arbutosiden.

Hiertoe behoren arbutine- en salicylglycosiden. Arbutine is een bestanddeel van de bladeren van de berendruifplant (Arctostaphylos uva-ursi) en bosbessenplant en wordt meestal via de nieren volkomen onveranderd uitgescheiden. Alleen in alkalische urine wordt arbutine gesplitst tot hydroquinon, dat een antiseptische werking in de urinewegen heeft. Salicine (dat in het lichaam wordt omgezet in salicylzuur), populine en gaulterine hebben praktisch dezelfde farmacologische eigenschappen, namelijk:
1.Antipyretisch, analgetisch en antireumatisch
2.Desinfecterend op de slijmvliezen van het maagdarmkanaal
3.Het gezamenlijk glycosidencomplex van de zwarte populier (Populus nigra) namelijk (salicine en populine) verhoogt de oplossing en uitscheiding van urinezuren.
4.Diuretische werking van gaulterine in moerasspirea (Filipendula ulmaria)
Salicylzuren komen voor in onder meer schietwilg (Salix alba), moerasspirea (Filipendula ulmaria), zwarte populier (Populus nigra).

Het gebruik van de wilge soorten als geneeskrachtig kruid bij het bestrijden van reuma, koorts en als pijnstillend middel is al vrij oud. Er zijn heel wat planten waar salicylzuur in zit zoals wilg, rnoerasspirea, goudsbloem, driekleurig viooltje, vrouwenmantel, zwarte populier, kamille, engelwortel, braam, zoethout, witte klaver enz...

 

Mosterdolieglycosiden

Isothiocyanaatglycosiden (tegenwoordig glucosinolaten) genoemd, die stimulerend werken op de spijsvertering bij anorexie en dyspepsie. Zoals de naam al suggereert bevatten deze stoffen zwavel.

Planten met mosterdolieglycosiden zijn bijvoorbeeld

De meeste vertegenwoordigers van de kruisbloemigen zoals planten van de Allium familie zoals knoflook, bieslook en prei maar ook zwarte mosterd, herderstasje (Capsella bursa-pastoris), witte mosterd (Sinapis alba), echt lepelblad (Cochlearia officinalis), mierik (Armoracia rusticana) en witte waterkers (Nasturtium officinale). Sinigrine en sinalbine komen in mosterdzaad voor.
Het herstel van het bacterieel evenwicht is een belangrijke taak, ook in de kruidengeneeskunde. De laatste jaren is er ook erg veel belangstelling ontstaan voor de plantaardige antibiotica; vandaar de herwaardering van knoflook  en ui.

Kruiden die mosterdolieglycosiden bevatten hebben een antibiotische werking

 

Saponinen

Ook wel zeepstoffen genoemd, zijn een speciale groep secundaire plantenstoffen die tot de glycosiden behoort. Het glycon van saponinen is meestal glucose of galactose en de aglyconen worden sapogeninen genoemd. Deze aglycon bestaat uit ofwel een steroïdlichaam, ofwel uit een naftaline-structuur.
Men vermoedt dat de plant saponinen produceert als bescherming tegen insectenvraat en groei van bacteriën en schimmels.

Kruiden waarin saponinen in hoge concentraties voorkomen zijn onder andere de echte koekoeksbloem, lelies, agaven, zeepkruid (Saponaria officinalis), paardenkastanje en in de vruchten van de zeepnotenboom. De bast (quillaia) van de zuidamerikaanse zeepboom (Quillaja saponaria) is één van de allerrijkste bronnen.

Er zijn verschillende soorten zoals:

  • Steroïde saponinen fungeren als precursor voor bijnierschors- en geslachtshormonen en kunnen bij een tekort ook de werking van deze hormonen ondersteunen (fyto-oestrogenen).
  • Steroïdalkaloïde saponinen
  • Triterpenoïde saponinen: Bij deze saponinen heeft het aglycon een triterpeen als basisstructuur. Ze komen wijdverbreid voor bij de tweezaadlobbigen, in het bijzonder bij de volgende plantenfamilies: klimopfamilie (Araliaceae), anjerfamilie (Caryophyllaceae), hippocastanaceae, vleugeltjesbloemfamilie (Polygalaceae), sleutelbloemfamilie (Primulaceae), zeepboomfamilie (Sapindaceae) en de Sapotaceae. Triterpenoïde saponinen kunnen in hoge concentraties in alle plantendelen voorkomen, met name in wortels, bast en zaden.

Wanneer saponinen worden geïnjecteerd in de bloedbaan zijn ze giftig. Ze lossen dan lecithine in de membraan van rode bloedcellen op, waardoor de rode bloedcel uit elkaar valt en de inhoud ervan (o.a. hemoglobine) oplost in de omringende vloeistof (hemolyse). Dit proces verschilt aanzienlijk in de saponinehoudende planten onderling.

Saponinen zijn altijd toxisch voor koudbloedige dieren.

Saponinen worden gekenmerkt door een bittere of scherpe smaak. Ze zijn oneetbaar voor door insecten en beschermen de plant tegen vraat. Als stof irriteren saponinen de slijmvliezen van ogen en luchtwegen en leiden tot niezen en traanvorming en oogonsteking.

Verder hebben veel saponinen een antibacteriële en antimycotische werking, wat de plant waar de saponinen in voorkomen beschemt tegen bederf.

Uitwendig worden saponinehoudende planten (o.a. zeepkruid) gebruikt bij overmatige vetafscheiding van de huid, hoofdhuid en ter ontvetting van het haar.

Saponinen werken prikkelend op de slijmvliezen van de luchtwegen en het maagdarmkanaal. Ze worden daarom ingezet als slijmoplossende middelen (bij taaie slijmen) of als laxeermiddel (bloemen van stalkaars (Verbascum densiflorum) of keizerskaars (Verbascum phlomoides), evenals de wortels van zoethout (Glycyrrhiza glabra) en zeepkruid (Saponaria officinalis).

Veel saponinehoudende planten werken daarnaast urineafdrijvend en hebben een antiseptische werking op de urinewegen, zoals de bloeiende stengels van breukkruid (Herniaria glabra), blad van ruwe berk (Betula pendula) en wortels van kattendoorn (Ononis repens).

Sommige saponinen zouden een gunstig effect op de menselijke cholesterol huishouding hebben.

Saponinen treft men in een aantal geneeskruiden aan. Hun belangrijkste eigenschap bestaat er in de oppervlaktespanning van water gevoelig te verminderen en vormen uitstekende emulgatoren. Reeds bij het schudden met water ontstaat er schuim. Omwille van deze eigenschap werd de naam saponine gegeven, hoewel ze met zeep niets te maken hebben.
Saponinen bezitten de eigenschap de meeste vetten, als lecithine, op te lossen. Met cholesterol vormt saponine geen neerslag.

De volgende kruiden bevatten saponinen: zeepkruid, zoethout, sleutelbloeml, driekleurig viooltje; kattedoorn, hondsdraf;berk,guldenroede, hennepnetel

 

Alkaloïden

Alkaloïden worden tot de secundaire plantenstoffen gerekend. Voor de plant hebben alkaloïden vermoedelijk een functie als insectenwerende stoffen.

Alkaloïden hebben vaak een sterke fysiologische of farmacologische werking op de menselijke stofwisseling, vooral omdat ze primair op het centraal zenuwstelsel inwerken. Veel alkaloïden hebben neuroactieve en psychoactieve eigenschappen en sommigen worden als genotmiddel of entheogeen gebruikt.

Diverse alkaloïden hebben een prominente rol in de geneeskunde verworven. Het gaat dan om krachtige farmacologische stoffen als atropine, cafeïne, morfine, codeïne, cocaïne, neostigmine, kinine, pilocarpine, pseudo-efedrine en vincristine.

Men deelt ze in een aantal grote groepen in

  • Pijnstillend-verdovend : opium, stinkende gouwe, herfsttijloos, belladonna, bilzekruid, aoonitum
  • Bij bronchiaal astma: lobelia, ephedra
  • Zenuwversterkend: strychnum, Ignatia, coffea
  • Urinezuurafdrijvend: cacaozaad
  • Slijmlozend: lpecacuanha, sanguinaria
  • Baarmoederbloedingen : moederkoren, herderstasje
  • Verder zijn er alkaloïden gevonden in valeriaan, smeerwortel, duizendblad; vlier, fenegriek, maretak, berberis, brem,...
  • De alkaloïden in doornappel, kina en cola zijn net als opium, belladorina, bilzekruid, aconitum, strychnum  zwaar giftig en kunnen slechts op voorschrift, en in aangepaste verdunning gebruikt worden

In het algemeen zijn alkaloïden wit, maar sommigen zijn sterk gekleurd. Berberine bijvoorbeeld is geel en sanguinarine is rood.

 

Slijmstoffen

Slijmstoffen  komen vaak samen voor met gommen en het is  moeilijk om een onderscheidt tussen beiden stoffen te maken:  de gommen zijn meer ‘plakkerig’ en de slijmstoffen meer ‘slijmerig’. Slijmstoffen zijn koolhydraten.
In water zwellen slijmstoffen op en vormen ze een kleverige laag die huid en slijmvliezen bedekt. Xe  hebben een remmende werking op infecties en reguleren ze de slijmafscheiding en de darmwerking. Ze kalmeren, verzachten en verminderen daardoor ook eventuele pijn. Slijmstoffen hebben ook een verzachtende werking op de huid en slijmvliezen, naast uitwendig gebruik kan men ze goed toepassen bij problemen met de luchtwegen en bij maag – en darmstoornissen. De werking in het lichaam van slijmstoffen is vooral fysiek en niet chemisch. Slijmstoffen zijn meestal opgebouwd uit uronische zuren en suikerderivatieven en zelfs als ze worden afgebroken in het spijsverteringssysteem geven ze geen groot farmacologisch effect.

Om deze reden worden slijmstofplanten vooral veel gebruikt als wondkruiden (in – en uitwendig), pijnstillers, kruiden die irritatie en jeuk tegen gaan.

 

Harsachtige bestanddelen

Hars is een amorfe, doorschijnende harde breekbare organische stof die onder invloed van warmte week wordt. Vele harsbestanddelen zijn mengsels van harsen met andere nauwverwante stoffen.

Harsen vindt men in dennen, spanfen, jalappe, scamonium',pokhout, wolfsmelk, lactuarium en opium:

 

Flavonoïden

Flavonoïden zijn de stoffen die de kleur pigmenten leveren
De anthocyanen geven een blauwe, paarse of rode kleur aan bloemen
De flavonolen zijn wit of bijna kleurloos en komen voor in bladeren en bloemen. Ze geven de herfstkleur aan bladeren door te veranderen in anthocyanen
Flavonoïden controleren de groei van planten en ze beschermen tegen schimmels en virussen. In grote hoeveelheid zijn ze ook onverteerbaar voor grazers.

 

Mineralen

ln de voedingsleer wordt de laatste jaren veel aandacht besteed aan mineralen, en in het bijzonder aan de spore-elementen, ook oligo-elementen genoemd.

Kruiden met mineralen verbeteren het evenwicht, schakelen autotoxinen uit die het gevolg zijn van stress-toestanden (het kwaad bloed zetten).

Aanvallen van woede, prikkelbaarheid, ergernis, onverwerkt verdriet, afgunst, verveling, flatneurose, enz. brengen een aantal vage klachten naar voor, waar huisartsen geen naam kunnen op zetten. Dan wordt maar al te vaak verwezen naar "zenuwen". Bij een goed mineraalevenwicht kan hier het lichaam zelf deze toestanden verbeteren:

Kalium
Calcium
Jodium
Kiezelzuur
Magnesium
Natrium
Ijzer
Vitaminen

 

Vitaminen

Vitaminen spelen in de natuurgeneeskunde een totaal andere rol dan in de voeding. Keukenkruiden met vitaminen worden zelfs in rauwe toestand slechts in kleine hoeveelheden gebruikt. Toch zijn ze van veel belang.

Men vindt vitamines in volgende kruiden :

  • vit. A in brandnetel en wortel
  • vit. B1 in artisjok (suiker en koolhydratenstofwisseling)
  • vit. B2 in paardebloem
  • vit. B6 in absint alsem en meidoorn (preventie aderverkalking)
  • vit. C in alsem, brandnetel, duindoorn, rozebottel,peterselie
  • vit. D in levertraan