Copyright © 2017 Liber Vitae.
Het materiaal op deze website is zuiver informatief. Doe niet aan zelf-medicatie en raadpleeg altijd een arts of apotheker als je klachten hebt.

Historische ontwikkeling van de natuurgeneeskunde

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mail

Inleiding

Door de eeuwen heen speelden kruiden een belangrijke rol. Zonder betrachting om volledigheid na te streven hierbij toch een overzichtje van wat belangrijke visies en ideeen doorheen de geschiedenis.  Besproken worden:

1.    Mesopotamië

In het land van Tigris en Eufraat waren de medische praktijken en de religieuse opvattingen met elkaar verweven. Organen van offerdieren werden onderzocht om te zien waarom de goden bepaalde patiënten ongunstig gezind waren.
Diagnose, prognose en behandeling werd op kleitafels geschreven, soms werden de gebruikte middelen met hun juiste receptuur opgegeven. Kruiden werden oraal, als zalven of/en warme omslagen toegediend, in lichaamsopeningen “gedampt”, geïnhaleerd als dampen en als zetpillen of klysma’s ingebracht.

Olie werd gebruikt als belangrijkste balsem voor verwondingen, ze werkte helend en moest voorkomen dat het verband in de wonde kleefde.
Bij het toedienen van geneesmiddelen werd er uiteraard rekening gehouden met het tijdstip van de dag en de stand van de planeten en sterren, zoals bij andere oude volkeren ook het geval was.
Over chirurgie wordt er niets vermeld, men kan echter aannemen dat die er wel was en dat die werd toegepast.

2.    Egypte

Een hoogstaande kruidengeneeskunde ontwikkelde zich in het Egypte van de farao’s. De faam van de Egyptische artsen reikte tot ver buiten de grenzen van hun vaderland en wordt oa in de geschriften van de Griekse historicus Herodotus uitvoerig beschreven.
Een belangrijke bron is de “Papyrus Ebers”  uit de tijd van farao Amenhotep I (circa 3550 v C.), dat in de universiteitsbibliotheek van Leipzig wordt bewaard en dat in 1873 ontdekt werd door een Duitse Egyptoloog. Het beschrijft zo'n 700 medicinale planten en bevat bovendien de instructies voor de bereiding van zalven, pleisters, pastilles, pillen en oogdruppels, een groot aantal magische spreuken en bezweringsformules maar ook concrete aanwijzingen voor de toepassing van kruiden in de geneeskunde.

De Egyptologe en biologe Renate Germer heeft in haar boek “Die Heilpflanzen der Ägypter”  een groot aantal historische bewijzen voor de toenmalige kruidkundige kennis bijeengebracht.
Er werd veel aandacht besteed aan vertering en ontlasting, wat erop kan wijzen dat hun voeding niet ideaal was, men gebruikte trouwens veel braakmiddelen en lavementen. De medicus-genezer was vaak ook priester en mysticus, bijvoorbeeld IMHOTEP die omstreeks 2980 v C. dokter, raadsman en architect was van koning Zoser. Alhoewel de hygiëne goed was en ze zich enkele keren per dag wasten, kwamen er heel wat ziekten voor. Oogziekten, aderverkalking, pokken en de pest werden vastgesteld.  Men had een zekere ervaring met diagnose en wisten daardoor bepaalde ziekten nauwkeurig te beschrijven.

Vele kruiden die later hun weg vonden naar de kruidenboeken van Plinius, Dioscorides,  Galenus, Paracelsus, en ook naar de Joodse, Syrische, Arabische en Perzische artsen kwamen uit Egyptische bronnen. De Egyptenaren importeerden, via handel over de Nijl, reeds saffraan en salie uit Kreta, kaneel uit China, geur- en smaakstoffen uit Arabië en Abessinië (Ethiopië). Hun geneeskruiden kwamen in allerlei vormen voor zoals pillen, tabletten, zetpillen, zalven en balsems (vooral met fenegriek en aloë vera) gorgeldrankjes, baden dampen maar ook als wierook. Enkele veelgebruikte kruiden zijn koriander, vijgen en maanzaad. Verse honing werd ook veel gebruikt, onder andere om er een geneeskrachtige zalf van te maken. Van de kruiden werden vooral die met de purgerende werking gebruikt. Omwille van de geneeskracht werd beschimmeld brood (penicilline) als anti-bacterieel middel op de wonde gelegd. Ook vrouwenziekten werden uitvoerig beschreven. De wijze waarop zowel mannen als vrouwen de ogen zwaar omlijnden, had te maken met de wijd verspreide oogziekten. De groene machaliet werd, als fijngewreven poeder, daarvoor gebruikt en genas de aandoening die veroorzaakt werd door kleine wormpjes die het oogvlies doorboorden.


Enkele praktische voorbeelden van de Egyptische kruidengeneeskunde:
 
Aloë vera
Het werd ingenomen tegen wormen en om zweren te genezen. Als zalf/balsem werd het op brandwonden gesmeerd en bij huidaandoeningen, waarvoor men het nog altijd gebruikt.
Men gebruikte het ook bij ademhalingsproblemen.
Voor een zalf tegen huidaandoeningen werd aloë vera toegevoegd aan wijn en gemalen, gebakken komkommer. Als balsem tegen slijmvliesontsteking werd een mengsel van aloë vera, mirre, honing en stibium (een mineraal) vier dagen lang op de neus gesmeerd.

Fenegriek
Dit kruid werd veel gebruikt in balsems en zalfjes. Men gebruikte het om de vruchtbaarheid te bevorderen, bij ademhalingsproblemen, tegen zwellingen, vaginale infecties. Men verwerkte het in zalven en crèmes (bvb een anti-rimpelcrème) of in zetpillen enz. 
Het kruid werd ook aan brood toegevoegd.

Koriander
Koriander werd zowel inwendig als uitwendig als genezingsmiddel gebruikt. Men nam gemalen korianderzaden in tegen buikpijn, hoest en winderigheid. Uitwendig werd het in geval van koorts, reuma of een herpesinfectie gebruikt. Bij koorts werd koriander in badwater toegevoegd en bij een herpesinfectie werd een zalf van gegiste honing, mirre en korianderzaden op de aangetaste plek gebracht.

Vijgen
De Oude Egyptenaren aten vijgen tegen aambeien, ontstekingen, buikproblemen, longproblemen, hartproblemen en endeldarmproblemen. Het is ook een goed laxeermiddel.
Om aambeien en endeldarmproblemen te behandelen werd een mengsel van vijgen, Egyptisch zout, merg uit een ossenbot en frankincense (wierook) gebruikt.

Pepermunt
Pepermuntthee werd gedronken voor de spijsvertering, tegen braken, koorts, winderigheid. Net zoals wij tegenwoordig pepermunt eten voor een frisse adem, zo kauwden de Egyptenaren ook op pepermunt. Door pepermunt te mengen met honing maakte men een geneeskrachtige zalf.

Papaver
Met behulp van papaver werden huilende kinderen gekalmeerd. Ze vermengden wat papaver met bier (Egyptisch bier bevat slechts 1 à 3% alcohol) en gaven dit aan de kinderen. Papaver werd in zalfjes verwerkt om blauwe plekken en ontstekingen te genezen en vooral gewaardeerd om zijn bedwelmende en pijnstillende bestandsdelen. Het was een ideaal middel tegen slapeloosheid, hoofdpijn en ademhalingsproblemen.

 

Egyptenaren gebruikten hun kruiden en planten als voedingsmiddelen en als medicijnen.

Algemene Tuinkruiden
Deze kruiden stonden vrijwel in elke Egyptische tuin. Enkele voorbeelden zijn:
- Cichorei (tegen hoofdpijn en lever- en blaaskwalen)
- Hennep (tegen oogklachten en vaginale irritatie)
- Dille (tegen hoofdpijn en werkt als pijnstiller)
- Komijn (tegen maagpijn, tandvleesaandoeningen en werkt als pijnstiller)
- Heggenrank (tegen blaasklachten)
- Peterselie (vochtafdrijvend)
- Saffloer (tegen giftige beten en steken)
- Alsem (tegen wormen, hoest en huidinfectie)

Geneeskrachtige groenten en vruchten
Deze voedingsmiddelen werden ook als medicijn gebruikt:
- Bleekselderij (tegen gezwollen ledematen en hoofdpijn)
- Knoflook (tegen beten, kneuzingen, astma en werd gebruikt als gorgeldrank)
- Kikkererwten (is lactatiebevorderend bij zogende moeders)
- Prei (tegen nachtblindheid)
- Watermeloen (om ziekten te verdrijven en werkt tegen trillende vingers)
- Komkommer (lactatiebevorderend)
- Sla (tegen gehoorproblemen en worminfecties)

Planten voor de rijken
Deze planten zijn vooral inheems en daarom erg kostbaar. Ze waren uitsluitend voorbehouden aan de rijke mensen.
- Amandelen (amandelolie voor ontspannende lichaamsmassages)
- Appels (tegen seksueel overdraagbare aandoeningen)
- Kaneel (tegen mondzweren)
- Kardemom (stimulering van de spijsvertering en werkt eetlustopwekkend)
- Varkenskervel (tegen voetkwalen)
- Tijm (tegen long- en maagaandoeningen)

 

3.    Grieken

In Homerus’ “Odyssee” uit de 8ste eeuw v C. Is er al sprake van de genezende, zelf magische, kracht van planten. Hij beschreef de behandeling van talrijke oorlogsverwondingen ten tijde van de Myceense beschaving (1600-1150 v.Chr.) Artsen waren er met name om pijlen uit te snijden en kruiden op wonden te leggen.

De vroeg Griekse geneeskunst werd uitgeoefend in tempels gewijd aan Asclepios, God der geneeskunde. Rondom de Asclepios-tempels ontstonden allerlei gebouwen voor de zieken verzorging, zoals badhuizen, massage-inrichtingen, apotheken, maar ook theaters en geneeskundige scholen. De geneeskunde werd uitsluitend door priesters uitgeoefend. De zieken konden overnachten in de tempels. De beelden uit hun dromen of hypnose werden uitgelegd door de priesters. De priesters deden naast droomuitleg ook aan handoplegging, gebedsgenezing en schreven geneeskrachtige kruiden, massage en badtherapie voor.

In de loop van enkele honderden jaren vanaf 500 voor Christus, heeft zich onder invloed van verschillende natuurfilosofen, een revolutionaire leer van ziekte en gezondheid ontwikkeld. De klinisch-wetenschappelijke aanpak en de humoraalpathologie hebben het medisch denken ruim 2000 jaar beheerst. Enkele belangrijke Griekse natuurfilosofen die zich ook met de geneeskunde bezighielden waren: Thales van Milete, Pythagoras van Samos, Socrates, Plato en Aristoteles.
Asclepios, de beroemste geneesheer bij de Grieken, had veel volgelingen, de asclepioden, die allen artsen waren waaronder de beroemdste priester-geneesheer uit de geschiedenis: Hippocrates (460-377 v.Chr). In samenwerking met zijn leerlingen ontstond de Hippocratische ziekteleer: de "Corpus Hippocratum", waarin de belangrijkste taak van de arts was dat hij de "zelfgenezende kracht" van de patiënt ondersteunde. Hij bevrijdde de geneeskunde van irrationaliteit, mystiek en bijgeloof en benadrukte de eigen waarneming en ervaring. Hij wordt de vader van de moderne geneeskunde genoemd maar ook in de natuurgeneeskunde wordt hij geeerd.

Hij ging ervan uit dat de lichaamsvochten (humores of lichaamssappen) samengesteld waren uit diverse proporties bloed (warm en vochtig), slijm (koud en vochtig), gele gal (warm en droog), en zwarte gal (koud en droog). Wanneer de 4 lichaamssappen in evenwicht waren, was het lichaam gezond, indien er onbalans was, ontstond er ziekte door een teveel of te weinig van één of meerdere ervan. Dit principe werd later terug gevonden in de kruidengeneeskunde waar men de kruiden ging indelen in koud, warm, vochtig en droog. De remedie was volgens hem dieet, drinken, slapen, zweten, laxeren, braken, enz om de lichaamsvochten die vervuilt waren te zuiveren en uit te scheiden. Hij gebruikte hiervoor kruiden en andere therapieën.

Hippocrates heeft ook veel geschreven over: anatomie, fysiologie, algemene pathologie, therapie, diagnose, chirurgie en verloskunde. In de Griekse geneeskunde was het gebruik van kruiden algemeen gekend en veel toegepast.

Ondanks de wetenschappelijke belangstelling stond het behandelen van zieken bij Hippocrates centraal. Leven en genezen in harmonie met, liefde voor de natuur en de humorale pathologie werden zijn voornaamste uitgangspunten. Hij stierf hoogbejaard in Thessalië.

Alexander de Grote stichtte in 331 v.Christus Alexandrie waar in 286 v.Chr. de beroemdste bibliotheek van de geschiedenis de deuren opende. In het Mouseion waren meer dan 800.000 boekrollen onder gebracht. Het was een soort academie van wetenschappen. Omstreeks 47 v.Chr. gingen de beroemde bibliotheken voor het grootste gedeelte verloren door oorlogshandelingen en godsdiensttwisten.


4.    Kelten en germanen

Veel van onze volksgeneeskunde vinden we terug in de overlevering van onze voorouders. Door deze oude volkeren hebben we levendige tradities en mythen. Voor hen was de natuur een deel van het leven samen met de “anderswereld”, de wereld van oa geesten, nimfen, elfen en goden. Met een enorm respect voor de planten werden deze ook gebruikt bij allerlei aandoeningen. De heelmeesters-priesters, de druiden en sjamanen, plukten de kruiden volgens bepaalde rituelen, op bepaalde dagen van het jaar, rekening houdend met het uur van de dag en de stand van de planeten en sterren. Ze kenden de specifieke krachten van de helende plant en gebruikten ze bij een veelvoud van ziekten.

Alles was veranderlijk, zelf de tijd, en de mens leefde met de goden van bomen, rotsen, bergen, weiden en rivieren. Ieder dorp had zijn eigen natuurgeesten. Er zijn, tot nu toe, ongeveer 1000 namen van Godheden bekend.

Het lentefeest, midzomerfeest, oogstfeest en het overgangsfeest naar de winter (halloween) waren eigenlijk rituele natuurfeesten die een overgang betekenden in de natuur. Ieder feest had zijn kruidengebruik.

5.    Romeinen

De eerste beschrijving van 600 planten vinden we in de "Materia Medica" (vijf volumes in het Grieks geschreven) van de Griekse arts Dioscorides die leefde onder het keizerschap van Nero (ts 40 - 90 na Ch). Hij was oa als veldarts aangesteld en verzorgde de verwonde soldaten op het slagveld met kruidengeneeskunde. In de eerste eeuw heeft ook Plinius de oudere, in zijn werk "Naturalis Historia", kruiden en planten beschreven. Grote delen zijn daarvan bewaard gebleven.

Een andere grote geneesheer in de geschiedenis van het Romeinse rijk was de Griekse arts Galenus (130-200 na Chr.). Hij studeerde geneeskunde op zijn 15de en kwam als 24 jarige arts bij de gladiatoren waar hij veel leerde, oa dat er bloed door de aderen stroomt en geen lucht. Hij verzamelde en beschreef al datgene wat er in zijn tijd op het gebied van de geneeskunde bekend was, zo ook een compendium met 540 plantaardige, 180 dierlijke en 100 niet biologische middelen. Hij verzamelde zelf zijn geneeskrachtige kruiden omdat hij geen vertrouwen had in de kruidenverkopers, hij berreidde ook zelf zijn recepten.

Meer dan 100 van zijn werken zijn bewaard gebleven oa een boek van 700 bladzijden over de "Nuttigheid van de delen van het lichaam". Zijn werken werden in verschillende talen vertaald waardoor het in Europa terecht kwam. Meer dan 1500 jaar werden zijn werken beschouwd als onaantastbaar, alhoewel er vergissingen gebeurden doordat zijn anatomielessen gebasseerd waren op het ontleden van varkens en apen.

Toen Galenus stierf was het Romeinse rijk over haar hoogtepunt heen en deed de christelijke godsdienst haar intrede, zij had weinig eerbied voor de oude wetenschappen en de klassieke filosofie. Dit had drastische gevolgen voor de geneeskunde. Beschouwden de Grieken een ongeneeslijke zieke als iemand die men maar aan zichzelf moet overlaten, het christelijk geloof leerde dat Jezus juist de door ziekte bedreigde mens het heil belooft. Ziekte werd aanvankelijk als een lot en later zelfs als een deugd beschouwd. Het lijden werd gewaardeerd als een bestemming van God.

Vanaf 391 na Chr. werd het christendom staatsgodsdienst. Dit betekende dat al het andere, ook de natuurgeneeskunde, als heidens werd bestempeld en dus verboden. De kunsten en wetenschappen van de antieke wereld gingen niet helemaal verloren maar bleven voor een deel voortleven in de volksgeneeskunde. In de geneeskunde was men er nu vooral op uit om de ziel te redden en niet meer zozeer om de zieke te genezen. Dit betekende de opkomst van de "zielen- ziekenzorg" ten koste van de overgeleverde geneeskunde.

Ziekte werd beschouwd als straf van God. Dit geloof werd als basisconcept doorgegeven aan het middeleeuwse christelijke Europa. De besmetting werd gezien als spirituele onreinheid.  De bijbel was dus een bron van medische informatie, waar plagen en epidemieën, ziekten en symptomen beschreven worden samen met een behandeling van kruiden en geneesmiddelen.

6.    Middeleeuwen

In het algemeen was het begin van de Middeleeuwen een periode van geleidelijke neergang. Wat er van de klassieke wetenschap over was gebleven concentreerde zich in kloosters. Daar vond men nog mannen die konden lezen en schrijven. Zij waren de enigen die de geneeskunde uit de weinig bewaard gebleven literatuur bestudeerden, maar wetenschappelijke geneeskunde werd er niet bedreven.
Hildegard von Bingen, Albertus Magnus en Hieronymus Bock zijn enkele van de velen die een belangrijk aandeel hadden in het vergaren en beschrijven van de kruidenkennis.

Ook Perzische geneesheren als Avicenna (11de eeuw) brachten licht in de duisternis. Zijn beroemdste werk is de Canon van de geneeskunde (Al-Qanun fi al-Tibb), die uit meer dan een miljoen woorden bestaat en die lange tijd ook in Europa een standaardwerk zou blijven.

De kloosters hadden een eigen kruidentuin met kruidenapotheek en werden dikwijls een opvangcentrum voor zieken en armen (zie bvb het Notre Dame de la Rose in Lessines bij Geeraartsbergen uit de 13de eeuw, een klooster-ziekenhuis met eigen kruidentuin; het Sint-Janshospitaal te Brugge met een oude kruidentuin van nagenoeg 3000 m2; het Sint-Elisabeth hospitaal waar nog steeds een kruidentuin aan verbonden is, het ziekenhuis in Chelsea dat nu nog een kruidentuin met 5000 geneeskrachtige planten bezit).
De monniken verzorgden de zieken puur uit Christelijke naastenliefde (caritas). Buiten de kloostermuren ontstond schaarste aan artsen. Wel was er de volksgeneeskunde die over empirische kennis van plantaardige en dierlijke geneesmiddelen beschikte. Bijgeloof speelde daarin een grote rol. Gedreven door grote vroomheid probeerde men ook genezing te verkrijgen door gebeden en verzweringen. In grote getale ging men ter bedevaart, ter boetedoening voor begane zonde, maar ook in de hoop op genezing.

Door de epidemieën, ziekten en plagen, hongersnood en bijgeloof ging men allerlei planten gebruiken als afweermiddel tegen duivelse machten zoals het leverkruid, boerenwormkruid, St Janskruid en vele andere, ze werden in een "kruidenwis" samengebonden, gewijd en aan de deuren van huis en stallen opgehangen ter bescherming.

Rond 1200 kwam West-Europa tot nieuwe economische en culturele bloei. Het kwam tot de stichting van de universiteiten van Salerno en Parijs. De leerstof voor de geneeskunde bestond uit teksten van de grote artsen uit de klassieke oudheid, vooral Hippocrates en Galenus. De praktische chirurgie die door barbiers (kappers) werd uitgeoefend, werd niet aan de universiteiten gedoceerd. De barbier-chirurgijn behandelde wonden en fracturen en deed chirurgische ingrepen, hij was net als alle andere handwerkslieden lid van het gilde.

In de middeleeuwen is een groot aantal boeken over fytotherapie geschreven. Monniken schreven er veel boeken over en voegde daar hun eigen kennis aan toe en stichtten op vele plaatsen kruidentuinen. Karel de Grote stimuleerde dit door een speciale verordening, het  "Capitulaire de villis." Dit bestond uit een aantal verplichte planten en geneeskruiden in de kasteelhoven en parken.

De middeleeuwse mens leefde in een sterk besef van de vergankelijkheid van het leven. Vooral de pestepidemieën hadden enorme gevolgen. Zij gaven aanleiding tot grote jodenvervolgingen (zij zouden de drinkwaterbronnen vergiftigd hebben). De artsen waren vrijwel machteloos, net als trouwens bij vele andere ziekten. De natuurgeneeskunst bloeide en genoot grote erkenning zeker bij de lagere standen. Zij werd vaak door wijze- of vroedvrouwen uitgeoefend. Zeker een kwart tot een derde van de bevolking stierf aan het einde van de 14e eeuw aan de pest, wat de maatschappij danig ontwrichtte en het christelijk geloof erg aantastte.

Om haar macht te handhaven probeerde de christelijke kerk het volk een streng zedelijke moraal voor te houden. Dit betekende een rechtstreekse aanval op de vrouwen en al hun bezigheden. Zij kregen de schuld van alle onheil omdat zij tot magische handelingen en hekserij in staat zouden zijn. zij werden geweerd uit alle beroepen. Het feit dat men zonder hulp van het geloof zou kunnen genezen, verminderde de machtspositie van de kerk. Vrouwen die zich juist bezighielden met genezen, werd verweten dat zij ziekte en verderf zouden brengen. Zo ontstonden de heksenjachten.

Tussen de 14de en 15de eeuw werd aan de kloosters een verbod opgelegd om nog zieken te verzorgen en zo ontstonden er aparte ziekenhuizen. De kloosters mochten alleen nog voor eigen gebruik groenten en kruiden kweken.
In het midden van de 15de eeuw ontstond er een cultuurverandering die zo ingrijpend was dat we van een nieuwe tijdperiode kunnen spreken: de renaissance. Renaissance betekent wedergeboorte. Het was een heroriënteren van de verworvenheden van de klassieke oudheid die de basis gingen vormen.
Klassieke auteurs , Hippocrates en Galenos, werden opnieuw bestudeerd in hun oorspronkelijke taal. Het galenisme nam een sterkere positie in dan ooit.

In deze tijd ontdekten Columbus en anderen een nieuwe wereld en de ontdekkingsreizen brachten nieuwe planten en specereien naar Europa.
Er kwam een scheiding tussen de natuurwetenschap en de natuurfilosofie; dit in tegenstelling tot de visie van Aristoteles.
De vele universiteiten gingen uit van praktische demonstraties. Zij bezaten een kruidentuin , een anatomisch theater en waren ingesteld op de stoffelijke wereld. Botanie, anatomie en fysiologie bloeiden weer op.

7.    Europa

Voor het Nederlandse taalstelsel vormt "Der Naturen Blomme" van Jacob van Maerlant (13de eeuw) een eerste geschreven bron. In 16.660 verzen beschrijft hij alle toen gekende dieren, gesteenten, natuurverschijnselen en ook verscheidene kruiden en bomen.

De opkomst van de universiteiten bood een nieuwe kans aan de geneeskunde. Eén van de eerste was deze van Salerno en Padua, later kwamen ook Parijs, Montpellier en andere. De belangstelling voor chirurgie en anatomie, het rationele, kwam op de voorgrond.

Theophrastus Bombastus von Hohenheim, kortweg Paracelsus (1493-1541), werd op 33 jarige leeftijd hoogleraar aan de universiteit, geeft les in het Duits en durft het aan de theorie van Galenus te doorbreken. Hij was ervan overtuigd dat er voor elke ziekte een remedie bestaat, niet alleen plantaardig maar ook mineraal of dierlijk. Hij onderscheidde bij de mens vijf beginselen, toestanden van 'zijn': het fysieke lichaam, de zichtbare vorm; het etherische lichaam, dat het klierstelsel beheerst; het astrale lichaam met als werkingsveld het zenuwstelsel ; het 'ik' dat zich uitdrukt in het circulatiesysteem; het ware zelf in de mens, het oer-eigene van de mens (instinct, impuls en intuitie). Hij was ook degene die ontdekte dat reuma en nier en galstenen stofwisselingsziekten waren en dat arsenicumvergiftigingen genazen door een kleine dosis arsenicum. "Alle weiden en velden, bergen, heuvels en bossen zijn apotheken" en "niets is giftig, alleen de dosis bepaalt of iets al dan niet vergif voor de mens is" zijn belangrijke uitspraken.

Jean Femel (15de-16de eeuw) schrijft een belangrijk boek over de geneeskunde. Hij ging ervan uit dat ziekte ontstaat door in strijd met de natuur te leven.

Rembert Dodoens (16de eeuw) in mechelen geboren brengt een omwenteling. De boekdrukkunst stelt hem in staat zijn enorme plantenkennis vast te leggen. Het resultaat van zijn planten onderzoek verschijnt in 1554 met zijn "Cruydenboeck". De index vermeldt niet minder dan 1600 plantennamen met een uitvoerige beschrijving van de bloeitijd, plaats van voorkomen en "cracht ende werckinge".

Vesalius (16de eeuw), geboren te Brussel als zoon van de apotheker van Keizer Karel, bezoekt al op zijn 16de de universiteit van Leuven, daarna Parijs en Padua (in die tijd de belangrijkste medische school van Europa). Op zijn 23ste krijgt hij daar de leerstoel chirurgie en anatomie en doet zelf zijn ontledingen. Bij gebrek aan koeling voor de lijken, moet hij s'nachts doorwerken bij kaarslicht. Die lijken steelt hij oa van het executieveld maar vooral bij kruistochten en oorlogen krijgt hij kans tot ontleden. Hij heeft veel bijgedragen aan de kennis over de fysiologie van het lichaam.

Abraham Munting (17de eeuw) studeert medicijnen en volgt zijn vader op als hoogleraar in de kruiden- en scheikunde. In 1672 publiceert hij "Waare oefeninghe der planten" en na zijn dood verschijnt "Nauwkeurighe beschrijving der aardgewassen".

Stephaan Blankaert (17de eeuw) een bekende arts in Amsterdam, schrijft zijn "Nederlandschen Herbarius" in 1698, enkele jaren voor zijn dood, het was toen al een populair werk over de werking van kruiden.

Andere beroemdheden uit die tijd waren in Nederland Clusius (Charles de L'Ecluse), die de plannen maakte voor de aanleg van de beroemde Leidse Hortus, en Hermanus Boerhave, die lange tijd zocht naar een systeem voor het indelen van de planten.

Dit vraagstuk zal opgelost worden door de Zweedse natuuronderzoeker Carolus Linnaeus in 1735, die de planten en dieren volgens hun uiterlijk indeelde. Zijn wetenschappelijke namen, bestaande uit een geslachtsnaam (genus) en een soortnaam (species) worden heden ten dage nog altijd toegepast.

Na Linnaeus blijven steeds meer mensen bezig met het onderzoek naar de werking van kruiden. In Duitsland kreeg de natuurgeneeskunde als zelfstandige therapie een vaste voet aan de grond. Bekende namen in de hydrotherapie zijn bijvoorbeeld Siegmund Hahn, Preissnitz, Schroth en Kneipp.
Mensen als Haeneman (grondlegger van de homeopathie) Weiss, Leclerc, Vogel, Messegué, Valnet zullen ijveren voor de wedergeboorte van de fytotherapie.

De 18e eeuw kenmerkt zich op medisch gebied door het verschijnen van nieuwe theoretische stelsels. Sommige trachtten de fysiologie vooral te verklaren met behulp van fysische denkmodellen, andere zochten verklaringen bij de chemie, weer andere zochten het in de levenskracht. De afstand tussen de mechanische geneeskunde en chirurgie enerzijds en de natuurgeneeskunde anderzijds werd steeds groter. Als reactie gingen enkelen weer op zoek naar de oude eenvoudige, natuurlijke geneeswijzen. Culpeper was de voorloper van deze heropleving.

Geleidelijk aan waren er tientallen soorten geneeskundigen praktisch werkzaam. Er waren universitair opgeleide doctores en geneeskundigen die gestudeerd hadden aan de zogenaamde klinische scholen (opgericht om in het gebrek aan chirurgijns te voorzien). Er waren dentisten, oculisten, apothekers, vroedkundigen, horoscooptrekkers, steensnijders, piskijkers, barbiers, beenzetters en vele anderen. Als gevolg van verschillen in studie en opleiding en de grote verscheidenheid in examens, bestond de medische stand uit zeer veel soorten beroepsbeoefenaars met veelal beperkte bevoegdheden. Thorbecke maakte in 1865 een eind aan deze chaos, door het uitoefenen van de geneeskunde alleen toe te staan aan hen die de voorgeschreven opleiding hadden gevolgd.

Vanaf de 19e eeuw zien we dus een dominerende officiële geneeskunde met een fragmentarisch mensbeeld, een symptomatische behandeling en lokale en orgaantherapie tegenover een natuurgeneeskunde die als inferieur beschouwd wordt. De behoefte aan traditionele behandelingsmethoden wordt door de beperkte wettelijke maatregelen en de overdonderende successen met betrekking tot de infectieziekten van de universitaire geneeskunde in de kiem gesmoord.

Een van de opvallende figuren van de natuurgeneeskunde in deze tijd was David Palmer. Hij herontdekte de chiropractie, de door Hippocrates al beschreven leer dat door kleine verschuivingen van de wervels eventueel zenuwkneuzingen opgeheven konden worden.

De iriscopie was reeds bekend in het oude Mesopotamie en ook chinezen, japanners en Hippocrates werkten ermee. Zij krijgt in 1881 een nieuwe impuls door een boek over de topografie en de betekenis van de iris geschreven door de Hongaarse arts Ignaz von Peczely. Beroemd is het proces tegen de Duitse pastoor Felke, zijn irisdiagnose bleek in 18 van de 20 gevallen juist.

Over heel de wereld wordt gezocht naar de geneeskrachtige eigenschappen van planten die de inboorlingen gebruiken. Elk jaar worden meer dan 1000 nieuwe soorten naar de laboratoria gebracht zodat de fytotherapie elk jaar ook kennis maakt met nieuwe middelen. 

Met de opkomst van de fytochemie werd het mogelijk om werkzame stoffen uit het plantenextract te isoleren, waarmee de bovenstaande bezwaren gedeeltelijk werden overwonnen. Het bleek ook mogelijk sommige stoffen via een andere weg te verkrijgen, bijvoorbeeld door synthese op basis van bestanddelen van aardolie. Ook transgene bacteriën kunnen hiervoor worden ingezet. Zo ontstond de moderne farmacologie

In de meeste landen spelen plantaardige geneesmiddelen nog steeds een belangrijke rol. In China (traditionele Chinese geneeskunde) en India (Ayurveda) neemt de traditionele kruidengeneeskunde nog een prominente plaats in in de geneeskunde. In de westerse wereld is sprake van een hernieuwde belangstelling voor de fytotherapie. Sinds de jaren 70 is er een toename van wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van kruiden die al duizenden jaren gebruikt worden in traditionele geneeswijzen, zoals de Ayurveda en de traditionele Chinese geneeskunde (de "Pen Ts'ao" van de Chinese keizer Shen Nung uit 3000 v.C. bevat een almanak van zo'n 1000 kruiden en precieze aanwijzingen voor het oogsten, drogen en bewaren). Deze kennis kwam echter pas met de ontdekkingsreizen rond de 16de eeuw naar Europa.

In 1985 schatte de Wereldgezondheisorganisatie dat ongeveer 80% van de wereldbevolking kruiden gebruikt voor de de behandeling van gezondheidsproblemen.

Veel medicijnen bevatten (of zijn gebaseerd op) actieve bestanddelen die afkomstig zijn uit planten. Digoxine, codeïne, aspirine, colchicine, morfine, vincristine, taxol en yohimbine zijn enkele populaire voorbeelden. In veel gevallen zijn de werkzame stoffen uit de plant langs chemische weg nagebootst, met een kleine verandering zodat er patent op kan worden verkregen.

8.    De nieuwe wereld

Reeds vele jaren voor men in Europa kruiden kweekte, bezat Moctezuma (koning bij de Azteken) een koninklijke kwekerij met geneeskrachtige kruiden die voldoende was om zijn ganse koninkrijk van kruiden te voorzien. Tussen deze planten bevonden zich kruiden tegen diarree, bedwelmende middelen, middelen om een abortus op te wekken, zalven tegen huidziekten en purgeermiddelen.

De belangrijkste kruiden van de Azteken waren die met een purgerende werking, om te braken en te zweten, deze genezers kenden zeker het belang van ontgiften. De Inca's gebruikten zeer veel kruiden, vooral kinine, een extract van de kinabast, voor het behandelen van malaria. Het coca-blad, dat cocaïne bevat, werd als kalmerend en stimulerend middel gebruikt. Ze waren erg bedreven in het maken van kruidenextracten en beschikten in feite over echte medicijnen zoals atropine, curare, theophyline en vele andere medicijnen die men tegenwoordig in de farmacopee kan vinden.

Planten die een sterke invloed op de geest hadden, werden zowel bij rituele als bij medische praktijken gebruikt. Het is dan ook niet te verwonderen dat men er reeds schedelboringen deed. Wij kunnen aannemen dat deze cultuurvolkeren een zeer grote kennis van kruiden en van de geneeskunde bezaten.

 

 

Literatuurlijst en Referenties  *  Top